Na een gaar regelnachtje (baby drinkt vaak om productie op te krikken – met resultaat – vanwege een hoger prolactine gehalte in de nacht, maar ik zal jullie niet lastigvallen met hormoonverhalen) is de kleine helemaal tevreden na een voeding vanochtend. Hij gaat languit en ontspannen over mijn schoot liggen. De gedachte komt in me op dat ik normaal gesproken nu als een malloot de clown ga uithangen om hem aan het lachen te krijgen. Hoe harder hij lacht, hoe beter. Schateren, dat wil ik zien en horen! Maar waarom eigenlijk? Hij ligt daar heerlijk ontspannen te zijn, hij vraagt helemaal niet om een show.

Ik ontspan ook mezelf en blijf naar hem kijken. Als vanzelf streelt mijn hand over zijn buikje. Zo af en toe zegt de baby “uhhhh” en ik “ahhhh”. Een kwartier lang hebben we naar elkaar gekeken, contact gemaakt, aandacht geschonken, de oxytocine vloeide rijkelijk (toch weer die hormonen).

Ik besef dat ik last heb van alleen-als-er-gelachen-wordt-is-het-leuk-syndroom. Ik zie overeenkomsten met het alleen-als-er-geconsumeerd-wordt-kun-je-gelukkig-zijn-syndroom. Natuurlijk willen we allemaal op zijn tijd hardop lachen, in een deuk liggen en het bescheuren, maar lachen is geen voorwaarde om het leuk te hebben.